|
Week 1
de bek
dik
dun
het hok
de kip
de mol
ik pak
de boom
de haas
laat
mee
de muur
hij eet
hij bijt
het dier
de koe
de muis
de neus
de poes
de uil
net-als-woord: poes
Week 2
de bloem
bruin
de draak
drie
de fluit
het gras
groen
knap
de slak
smal
de snuit
de spin
de stal
stil
de troep
twee
ik klap
ik krijg
ik plaag
hij praat
net-als-woord: draak
Week 3
als
het beest
de buurt
haast
de heks
juist
kort
de laars
de lamp
meest
de mens
de mist
de muts
naast
niets
ons
paars
soms
hij loopt
hij woont
net-als-woord: muts
Week 5
elf
de film
de golf
half
het kalf
de melk
de wolf
de wolk
ik help
de arm
de berg
het dorp
erg
de jurk
de kerk
het park
warm
ik durf
ik merk
ik werk
moeilijke duo's/ net als wolk
Week 6
dwars
de grens
de klant
de krant
de kwast
de plant
de prins
de slurf
de staart
sterk
trots
twaalf
hij bromt
hij brult
hij gromt
ik klets
hij knikt
hij krijgt
hij snapt
hij speelt
net als krant
Week 7
de schaal
het schaap
de schaar
de schat
scheef
de schelp
scherp
het schip
de schoen
de school
schoon
de schoot
de schurk
de schuur
ik schaats
hij
schiet
hij schopt
het schrift
hij schrikt
hij schrijft
net-als-woord: schaap
Week 9
het feest
de fiets
de fles
de friet
fris
hij fluit
hij fopt
de boef
de brief
ik beef
vaak
vast
veel
vier
vies
de vis
vlug
hij vliegt
hij voelt
hij vraagt
Net-als-woorden: feest/vier
Week 10
slim
de smoes
snel
de spin
stom
ik slaap
ik snap
hij snikt
eens
vals
zes
ziek
zoet
de zon
zuur
zwaar
zwart
zij zegt
hij ziet
hij zoekt
net-als-woorden: smoes/ziek
Week 11
de straat
strak
de strip
de struik
hij spreekt
de arts
de helft
de herfst
de kunst
de markt
Turks
de worst
zelfs
hij botst
hij danst
hij harkt
hij helpt
hij schaatst
hij werkt
hij zorgt
net-als-woord: de strip
Week 13
bang
het ding
eng
de gang
jong
het kreng
de kring
lang
de long
de ring
de slang
streng
de tang
de tong
de wang
langs
hij brengt
hij hangt
hij springt
hij zingt
net-als-woord:slang
Week 14
de bank
de dank
flink
de klank
de pink
de plank
de stank
de vink
de inkt
links
hij denkt
hij drinkt
het klinkt
het stinkt
hij schenkt
net-als-woord: bank
Week 15
arm
de berg
het dorp
de dwerg
erg
de jurk
de slurf
sterk
warm
hij durft
hij werkt
de elf
elk
de film
de golf
half
het kalf
de melk
de twaalf
hij helpt
net-als-woord: wolk
Week 17
het ei
de reis
de trein
het plein
de eik
mei
het feit
de geit
de wei
de kei
de hei
de klei
het zeil
zij breit
klein
net-als-woord: ei
Week 18
bij
blij
fijn
hij
het ijs
jij
kwijt
mijn
de pijn
de rij
rijk
vijf
vrij
wij
wijs
zij
zijn
hij blijft
hij krijgt
hij kijkt
net-als-woord: ijs
Week 19
de schaal
de schaar
de schaats
de schat
scheef
de schoen
de school
de schort
hij schenkt
hij schept
hij schuift
hij schijnt
het schrift
hij schroeft
hij schrijft
net-als-woord: schaap
Week 21
de kraai
saai
hij aait
hij draait
hij kraait
het waait
hij zwaait
het hooi
de kooi
mooi
nooit
ooit
hij gooit
hij strooit
oei
hij bloeit
hij groeit
hij knoeit
zij loeit
zij roeit
net-als-woord: mooi
Week 22
ach
toch
zich
de pech
ik lach
acht
de bocht
dicht
echt
het licht
de lucht
de nacht
recht
slecht
de tocht
zacht
hij bracht
hij lacht
hij wacht
hij zucht
net-als-woorden: pech
Week 23
de angst
de borst
de helft
de kunst
laatst
langs
links
rechts
hij fietst
hij kletst
hij verft
de sproet
de sprong
de straat
de straf
straks
de streep
de strik
de stroom
hij springt
net-als-woord: strip
Week 25
de beer
eerst
keer
meer
neer
de veer
het weer
hij leert
door
de koorts
het oor
de soort
het spoor
voor
hij hoort
de beurt
de deur
de kleur
hij scheurt
hij zeurt
net-als-woord: beer
Week 26
de duw
ruw
schuw
uw
hij duwt
de eeuw
de leeuw
de meeuw
de schreeuw
de sneeuw
hij schreeuwt
het sneeuwt
de kieuw
nieuw
het nieuws
net-als-woord: leeuw
Week 27
de geit
het ei
mei
ze reist
het sein
de prei
hij zei
de dweil
hij dreigt
kleinst
het krijt
het lijf
de lijn
mij
de prijs
rijp
de rijst
stijf
de wijn
hij hijgt
ei/ij
Week 29
blauw
hij kauwt
de pauw
gauw
nauw
de klauw
zij snauwt
au
de snauw
flauw
net-als-woord: blauw
Week 30
de fout
het hout
jou
de kou
de kous
nou
stout
het zout
jouw
de mouw
het touw
de vouw
de vrouw
hij bouwt
hij sjouwt
hij trouwt
hij vouwt
ik hou
hij wou
hij zou
net-als-woord: kou
Week 31
het fruit
lief
straf
hij geeft
de vacht
vals
verf
vlug
vuist
hij vecht
de sjaal
de stem
hij stopt
hij sist
de zeep
zelf
de zus
de zwaan
hij zegt
hij zorgt
net-als-woorden: feest
Week 33
de afspraak
daarin
de driehoek
ervoor
de glimlach
hoeveel
het kunstwerk
maandag
omhoog
de onzin
opnieuw
opzij
piepklein
rechtop
het vierkant
vrijdag
zestien
zichzelf
de zijkant
zondag
net-als-woord: driehoek
Week 34
het begin
het bezoek
hij bedenkt
hij bedoelt
hij begrijpt
hij bekijkt
het gedicht
het geluk
gemeen
genoeg
gewoon
het gezicht
hij gebruikt
hij geniet
het verdriet
het verhaal
het verschil
hij versiert
hij vertelt
hij verzint
net-als-woord: begin
Week 35
alweer
het geweer
de heer
de peer
het onweer
het verkeer
weer
de ijsbeer
hij smeert
daardoor
doordat
vooraan
vooral
voorbij
voordat
de voorpoot
waarvoor
de voordeur
het gebeurt
hij kleurt
net-als-woord: beer
|